Athens, excuse me

Athens, excuse me 

Als je de luchthaven van Athene buitenkomt, wacht het grote gebouw van het Sofitel op jou. Veel zakenmensen slapen er één nacht, op weg naar weer een andere meeting. Of toeristen, om een vroege vlucht te halen. Ik heb dat ook al wel eens gedaan. Na twee maanden in een erg sjofel hotel verbleven te hebben, zouden we in het Sofitel overnachten vooraleer we weer naar huis keerden. We kwamen er doodmoe aan, niet erg fris ook. Het contrast met de entourage van het hotel kon niet groter zijn. Het personeel knielde bijna voor ons, ook al stonken we. De kamer was van een luxe, wel ja, het was anders. Toch kon ik er de slaap niet vatten. Het was er zo stil. Ik miste het gezang van de hotelbaas in Tolo. 
Het aantal hotels in de dichte buurt van de luchthaven is niet groot. Je kan beter in een nabijgelegen plaatsje zoals bijvoorbeeld Artemida blijven. Artemida ligt aan de zee, biedt heel wat fraaie restaurantjes en is een gezellig stadje. Met de taxi van en naar de luchthaven ben je niet duur uit.
Maar je kan natuurlijk ook een bezoek aan Athene plannen. Mijn relatie met de hoofdstad zou Facebook omschrijven als: ‘it’s complicated’. Athene is groots in alles, of beter, er is veel van alles wat ze doen: cultuur en toerisme,  drama en passie, hitte en afval, barmannen en taxichauffeurs.  

Het is met een taxi dat ik mij van de luchthaven naar de binnenstad begeef. De taxichauffeur is van het vlotte type. Hij praat en vraagt honderduit. Hij gidst mij door de stad, toont belangrijke gebouwen die ik direct weer vergeet. Wat is die man vermoeiend. Hij herhaalt ook steeds dat hij nog nooit een boete gereden heeft. Ik bedenk dat dit allicht meer met de manier van beboeten te maken heeft dan met zijn rijstijl. En dan waag ik het erop. Ik vraag hem wat hij van Alexis Tsipras, de toenmalige premier van Griekenland, vindt. De wagen is te klein voor zijn woede, dan wil hij plots niet meer in de buurt van het Omoniaplain komen vanwege onveilig en dropt mij eerder. Daar sta ik dan. Te voet verder. Mijn hotel ligt in de buurt van het befaamde Omoniaplein. Velen zullen dit een slecht idee vinden. Het Omoniaplein – plein van de eendracht – is berucht, om zoveel: drugsgebruik en -handel, Albanezen, criminaliteit, prostitutie, straatroven, armoede. Omonia wordt gezien als een transit place, waar ondermeer vluchtelingen rondhangen in afwachting van weer iets anders. Nochtans is het juist daar dat ik wil zijn. Het plein trekt mij aan, het leven, de tragiek, de vreemdsoortige verbondenheid, de eendracht. Als ik aan mijn hotel kom, zitten een aantal mannen op de grond, één ervan injecteert drugs in zijn arm. Ik slik en duw de deur van het hotel beslist open. 
In het hotel zelf is niets van de baldadigheden die buiten heersen te merken. Alsof je tussen de vier muren van je kamer in een andere wereld leeft. Wereld is veel gezegd; het is veeleer een kooi. En dus wil ik terug weg. Ik loop naar buiten, baan mij een weg doorheen veel kabaal en kom op het Omoniaplein. Het plein was vroeger een belangrijk handelscentrum van de stad. Nu vind je er koffiebars, kleine winkeltjes, zwervers en aangelanden. En mensen zoals ik. Ben ik dan de enige die van dit plein hou? Nu al? Ik ga koffie drinken. Een norse barman gooit quasi met de kaart en snauwt mij iets toe. Ook een goede morgen. Ik kijk hem na. Wat een mooie man. Ik geloof dat ik wat zit te staren, zelfs met de mond open als hij mijn bestelling komt opnemen. Ik stamel een koffie, in vijf verschillende talen. Hij kijkt mij niet eens aan en vertrekt weer. Wow. Vrouwen vallen op onbereikbare mannen, dat is geweten, maar moet het nu weer zo’n klootzak zijn? De man is kwaad, kwaad op de hele wereld, op de crisis, op de politiek, op Europa, op zijn job, op de toeristen en dus ook op mij. Op de vele junkies, op de hoeren, op de vuiligheid, op het plakkerige gebak, op alles. Hij heeft iets weg van HermanBrood. In deze buurt kan dat wel tellen. Ik denk aan het liedje 50 jaar, Brood’s versie van 32 jaar (Sinds 1 dag of 2) van Doe Maar. Zou de barman nog wel eens trillen op zijn benen? Ik lach naar hem en hij kijkt mij nog kwader aan, alsof ik hem beledigd heb met mijn glimlach. Hij ploft zich uiteindelijk neer in een zetel bij de kassa en steekt een sigaret op. Ik kijk naar buiten. Er is al genoeg spanning. Ik drink mijn koffie op en reken af bij zijn collega. Ik slenter op het plein van het ene winkeltje naar de andere kiosk. In een shop waar je allerlei rommel kan kopen, schaf ik mij een koffiemok aan waarop Greece staat. Zoals toeristen dat doen. Ik weet niet waarom. Ik neem de afslag en wandel helemaal door tot aan Plaka, de veel betere buurt van Athene. De buurt waar veel toeristen gaan eten, waar het leven er net iets mooier uitziet. Van hier heb je een prachtig zicht op de Acropolis. Ik doe mij te goed aan een lekker visgerecht in een restaurantje op Plaka en wandel terug naar het hotel. Een bezoek aan het monument zal voor ’s anderendaags zijn. De buurt rond het Omoniaplein is er met valavond niet vrolijker op geworden. Ik loer eens naar de koffiebar en stap dan beslist verder. De nacht is luid. Alles is luid in Athene. Geroep, sirenes, gebroken glas dat rinkelt, auto’s: het zijn de geluiden van een erg levendige stad. Ik slaap amper. Het ontbijt in het hotel laat ik aan mij voorbij gaan. Ik wil koffie op het plein gaan drinken. In een veel te strakke jurk begeef ik mij naar de koffiebar. Zo nonchalant als maar zijn kan, kies ik een plaats en kijk gemaakt verstrooid naar buiten. De etter – die van de dag voordien – mompelt iets dat voor kalimera zou kunnen doorgaan. Het kan ook fuck off zijn. Ik vraag een latte en hij draait met zijn ogen. Ja, ik weet het wel, het is geen echte koffie. Als hij terugkeert met de koffie is hij beter gezind, dat wil zeggen hij gooit de koffie niet in mijn gezicht, maar zet alles keurig op tafel. Hij knijpt eens in mijn arm. Van pure verbazing bestel ik nog een koffiekoek. Hij zucht. Ik hoor hem denken: ‘ze zal nu ook nog iets eten. Waarom eten die toeristen in de ochtend?’Ik vraag mij af hoe het komt dat in een stad die toch doorgaat als de bakermat van de beschaving, zulke onbeschoft aantrekkelijke mannen kunnen leven? Hij staat alweer aan mijn tafel en roept naar niemand in het bijzonder van alles in het Grieks. Hij houdt het bordje vast en blijft staan. Ik zeg niets. Ik durf mij amper te bewegen. En weg is hij weer met bord en al. Qua drama en arrogantie kan die figuur wel tellen. Hij rent terug met een nieuw bordje en een ander stuk gebak, dat ik niet gevraagd heb. En dan praat hij. Hij heeft een stuk cake bij zich, volgens hem een veel beter idee dan een koffiekoek. Daar scoort hij natuurlijk mee. Mannen die iets weten van gebak, wel ja. Ik vraag welke cake het is. Van zijn uitleg word ik niet veel wijzer. Walnoten en siroop versta ik. Proef eens, zegt hij. Echt, cake in de ochtend? Zelfs ik die zo van gebak hou, vind dit niet het beste idee, maar ik doe gedwee wat hij vraagt. De cake is waanzinnig. Mijn god. Ongegeneerd veegt hij de kruimels van mijn mond en zegt dat we ’s avonds iets gaan drinken. Ik verslik mij. Acht uur – hier, mompelt hij en loopt weer weg. Ik probeer in mijn hoofd te herhalen wat er net gebeurd is. Ik blijf het herhalen, maar geloof het amper. Het moment is groot genoeg om nu de Acropolis te bezoeken. Ik wandel tot daar, bekijk de mensen en lach, onophoudelijk. Ik klim de heuvel op, krijg een korting aan de ingang omdat ik alleenstaande moeder ben, en kijk dan eerst eens rond. Wat een sensatie. 

Delen: