De auto

Voor de deur stopt een blauwe auto. Dezelfde auto als degene waar mijn moeder mee reed. Ik schrik mij dood. Het is uiteraard mijn moeder niet. Het zal nooit meer mijn moeder zijn. Ik haat die wagen en daarmee alle mogelijke modellen van dat merk. Onredelijk, ja.
Na het overlijden van mijn moeder heb ik eventjes met haar auto gereden. Tot hij het begaf. Hij had er geen zin meer in. Langs de autostrade gaf hij de geest en verliet mij. Onaangekondigd. Niet eens een signaal in de vorm van een rood lampje. Hij wou niet meer. Hij wou vooral mij niet als chauffeur. De auto was redelijk recent en bijlange niet aan vervanging toe. Maar hij dacht daar anders over. Iemand die met de auto van mijn moeder reed, pleegde hoog verraad en ik heette Judas. Als straf stond ik met mijn zoon langs de autostrade met een auto die enkel nog rookte.
Mijn moeder was dol op haar wagen. Een auto betekende vrijheid en bracht haar overal. Ik kan mij zo het moment voor de geest halen dat mijn moeder mijn straat indraaide en ik door het raam keek. Ze nam die bocht altijd ruim en traag. Ze parkeerde op de oprit en trok de handrem zo hard op dat ik het bijna tot binnen hoorde. En toen ging de bel. Ik duwde op de knop van de deurtelefoon en hoorde mijn moeder de trap op klimmen. Blazend. Ze was kortademig. Ze kwam binnen, zette haar handtas op tafel en zei vaak: ‘het is hier schoon wonen’. Even wat koffie en daarna vertrokken we. Naar de Carrefour. Dat was zo één van onze rituelen. Ik mis ze enorm, de rituelen en mijn moeder. Behalve het automerk mag ook Carrefour van de markt verdwijnen. Ik kan hen amper verdragen.

Delen: