Januari is mijn maand niet. Winter, koude, korte, donkere dagen, de zomer die nog zo veraf is. En dan komt die zesentwintigste er aan – de dag waarop mijn moeder stierf. In mijn agenda fiets ik om die datum heen. Al weken op voorhand ben ik hierop gefixeerd: alles vertalen naar zoveel dagen voor of zoveel dagen na de zesentwintigste. De eerste maand van het jaar duurt zo verschrikkelijk lang. Ook februari sleept zich voort tot pakweg de derde week. Daarna verjaart Famke, het dochtertje van een vriendin, dan starten de voorjaarskoersen, volgt heel snel de primavera en ziet de wereld er heel anders uit. De lente maakt van mij een ander mens. De zon ook. Dalida zingt: Soleil, soleil, j’irais où tu iras. En dat is onvermijdelijk het zuiden. Het zuiden heet mijn geluk.
Maar eerst moeten we nog die kille weken door. De mama van Famke was hoogzwanger op de begrafenis van mijn moeder. Een beeld dat in mijn geheugen gegrift staat. Van de geboorte van Famke heb ik nauwelijks kunnen genieten. Ik was ver van deze wereld, van het leven ook. En toch is Famke heel erg verbonden met mijn moeder. Ieder jaar, op haar verjaardag, weet ik dat we de ergste weken achter de rug hebben en dat haar jonge leven leidt naar de zon. Famke symboliseert voor mij behalve nieuw leven, hoop. Hoop op een toekomst zonder, en toch ook steeds met mijn moeder.

 

Delen: