Sigrid in Servië

“Ik weet niet meer goed in welk land we zijn.” Dat zei mijn zoon ergens in Noord-Macedonië. Op dat moment hadden we al heel wat landen gekruist: van België naar Nederland, over Duitsland naar Oostenrijk, vervolgens Hongarije, Servië en op dat moment waren we dus in Noord-Macedonië. Het was een bijzondere trip. Lang vooral. En ik was moe. En in bergen in Noord-Macedonië had ik geen zin. De auto evenmin. Overal vond je bagage. Onze auto was een bende, wij trouwens ook. Ik kon nog steeds niet bevatten wat er die nacht gebeurd was. Ergens in een hotel in Belgrado had een dronken man zowat anderhalf uur geprobeerd mijn deur met zijn sleutel te openen. Dat lukte natuurlijk niet. Ik was doodsbang. Temeer omdat ik vooraf al dacht – in mijn ruime fantasie – dat Servië een land van groepsverkrachtingen was. Het licht liet ik uit, het nummer van de receptie was ik vergeten. Naar mijn zoon bellen, die in een andere kamer lag twee verdiepingen hoger, vond ik evenmin een goed idee. Hij lag te slapen. Ik moest hem niet ongerust maken. Dus stuurde ik een berichtje naar de jongen in Kreta. Van daaruit kon hij uiteraard ook niets doen. Behalve zich zorgen maken. Hij deed er alles aan om mij gerust te stellen en suggereerde uiteindelijk om de politie te bellen. In plaats daarvan lichtte ik met mijn gsm op het blad naast de telefoon; daar vond ik het nummer van de receptie en ik belde. Om te melden wat er gebeurde. Kort daarna hoorde ik een enorm kabaal in de hall. Blijkbaar waren de jongens aan het vechten. Slapen in de Balkan: het was een speciaal gegeven. Op een zeker moment was ik het kotsbeu en vertelde aan de jongen dat ik de deur zou openmaken. Aan zijn antwoord merkte ik dat hij het geen best idee vond. Maar ik deed het toch. Bij het openen van de deur zag ik dat de twee inderdaad aan het vechten waren en ik deelde mee in de klappen. De dronken man sloeg mij keihard in mijn gezicht. Ik duizelde even en zag tot mijn opluchting de politie de trap oplopen. Het was nog een heel gedoe met ijs, verklaringen en zo. Ik vertelde wat later aan de jongen over mijn klap. Hij was bezorgd. Natuurlijk was hij bezorgd. Ik zei hem dat ik wel kon huilen. Ik was doodmoe. En hij zei dat ik moest huilen, om die spanning wat te verlichten. Bon, het was een nacht zonder slaap. Een paar uur later klopte ik op de deur van de hotelkamer van mijn zoon. Hij nog in pyjama, hij was doorheen de wekker geslapen, zei hij. Ik dacht: gelukkig maar. Over mijn dikke kaak zei hij niets, ik evenmin. Aan het ontbijt gaf ik een ingekorte versie van het verhaal en loog dat ik last had van mijn lenzen en dat mijn ogen en kaak waren gaan opzwellen. Aan mijn collega die ik in België had achtergelaten vertelde ik ook een versie die haar niet ongerust zou maken. Sigrid in Servië: het was een beetje zoals Knokken in Knossos.

Delen: