Ik ben ruim een uur te vroeg in de luchthaven. Overmorgen is het kerstavond. En nu al heeft deze hal iets desolaats. Kerstmis is familie, geen luchthaven. Bij gebrek aan familie is vluchten een optie. Onze optie. Ik zit hier te wachten tegenover een Relay shop. Be generous, be cool, be positive, be curious, be zen, be happy. Relay verwacht wel heel erg veel van zijn klanten. Een uur wachten in de stank van hamburgers. Ik ben nog steeds in Bruel-stemming. Hij dringt aan, in mijn oren. Hoe weersta je een uur? Ik heb geen talent voor wachten. Naast mij zit een kaki-man te lezen. De krant. Ik vraag mij af wat hij met Kerst doet. Kaki. Hij heeft allicht een missie.
Een uur wachten. In de luchthaven eet men meer friet dan dat men kust. Vreemd. Reizigers worden opgewacht door hun geliefden om zich dan te vergrijpen aan die vettigheid. Ik begrijp niets van de wereld. Van wachten evenmin. En frieten moet ik niet.
Reizigers intrigeren mij. Achter iedere reiziger een verhaal – minstens één. Ik hou van verhalen, maar niet van wachten.
De kaki-man loenst een beetje. Zijn krant uitgelezen. En nu wacht hij. Net als ik. We praten niet. Ik doe niet aan praten. Bruel zit immers in mijn oren. Ik heb mijn handen vol met luisteren. De kaki-man sluit zijn ogen. Ik begrijp hem. Wie zou er in zijn oren met hem flirten? Of is hij gewoon doodmoe van al dat kaki-gedoe? Het zijn kaki-tijden in dit land. Straks trekken wij naar een ander land, naar ons land, naar Parijs. Parijs is niet kaki, maar rood – dieprood. Parijs is liefde, Parijs is warm, Parijs is Patrick Bruel, Parijs wacht niet. Maar tot dan wacht ik. In de luchthaven. De kaki-man draait met zijn vingers. Hij verveelt zich. Op wie zou hij wachten?
Nog een half uur. De kaki-man schrikt op van zijn eigen gekuch. Hij staat op en verzamelt zijn spullen. En dan zie ik het. Een oudere vrouw komt naar hem toegelopen, zijn moeder ongetwijfeld. Mooi. Soms kan zelfs kaki een glans krijgen.
Ik wacht nu. Alleen. Met Bruel. Op mijn zoon. Ik stel mij zijn glimlach voor als hij straks door de poort komt. Doodmoe allicht. En gejaagd om zijn grote verhalen te vertellen. Grote blauwe ogen die stralen en een mond die te vlug beweegt. Hij zal honger hebben. Hij heeft altijd honger. En niets zal snel genoeg gaan.
Het wachten duurt nu niet lang meer. Ik trek Bruel uit mijn oren. Mijn zoon wint het van Bruel. Van eender welke Bruel. En daar is hij dan: mijn jongen, waar ik op wachtte.

20151222_145402 (2)

Delen: